Consult

Dag van de Arbeid: hoeveel werken we eigenlijk?

71% van de werktijd wordt effectief gepresteerd

Brussel, 25 april 2017 – 1 mei is het Dag van de Arbeid, een feestdag die nauw verbonden is met de strijd voor de achturige werkdag. Maar hoe zit het ondertussen, meer dan een eeuw later, met onze arbeidstijden? Hoeveel werken we? Of, hoeveel werken we niet? Acerta bekeek de cijfers van vijf jaar (2012-2016) en van een subset van 240.000 werknemers. Van alle theoretische werktijd blijken we gemiddeld 71% effectief te presteren. We zochten uit waar de ‘niet benutte’ werktijd dan wel naartoe gaat.

Niemand werkt 24/24 en 7/7

Natuurlijk kunnen mensen geen 24/24 en 7/7 werken. Wat aanvaardbare werktijden zijn, is vastgelegd in wetgeving of CAO’s die meestal op het niveau van een sector zijn afgesloten. In de meeste ondernemingen bedraagt de gemiddelde voltijdse arbeidsduur 38 uur per week. Maar in andere sectoren is de arbeidsduur veel lager. Zo kennen de banken en verzekeringsmaatschappijen reeds sinds begin de jaren 2000 een 35-urige werkweek. Als al wie werkt die uren ook effectief zou presteren, dan is dat de 100% waarvan we vertrekken. En het is daar dat we uitkomen op 71%. Van de wekelijkse arbeidsduur die een werknemer theoretisch zou moeten presteren, werkt hij of zij effectief maar 71%. Of minder dan drie vierde van de mogelijke theoretische arbeidstijd.

De effectieve arbeidstijd als percentage van de theoretische arbeidstijd daalt nog steeds. In 2012 bedroeg het percentage effectief gewerkte uren nog 71,53%. Jaarlijks is er een lichte daling. En in 2016 bedroeg het percentage nog 70,84%.

Effectieve arbeidstijd wordt beïnvloed door bijkomende prestaties en afwezigheden die al dan niet betaald worden.

De effectieve arbeidstijd zou hoger kunnen zijn dan 100% indien zou blijken dat werknemers veel overuren of bijkomende uren zouden presteren die niet gerecupereerd worden. Uit de cijfers van Acerta blijkt in elk geval dat het aantal overuren dat als zodanig wordt geregistreerd relatief beperkt is. Het betreft slechts 1,22% van het totale aantal gepresteerde uren.

De effectieve arbeidstijd wordt negatief beïnvloed door afwezigheden van de werknemer. Deze afwezigheden kunnen betaalde periodes van niet-werken zijn (denk aan vakantie, feestdagen, periode van ziekte waarvoor de werkgever het loon moet doorbetalen) en niet-betaalde periodes (periodes van ziekte bv. na de periode van loondoorbetaling, maar ook het tijdskrediet dat een werknemer opneemt en de niet betaalde dagen van arbeidsduurvermindering).

De beste reden om niet te werken: vakantie!

Wat zijn redenen of oorzaken om de 100% niet te halen? De belangrijkste en meteen ook de aangenaamste: vakantie en feestdagen. In België hebben voltijdse werknemers 10 wettelijke feestdagen en krijgen ze 20 dagen wettelijke vakantie. In sommige sectoren of ondernemingen krijgt de werknemer bovendien bijkomende vakantiedagen toegekend (bv. bij het bereiken van een aantal jaren anciënniteit) of geniet de werknemer extralegale feestdagen (bv. deze van het Gewest of de Gemeenschap).

Resultaat: 1 op 3 werkafwezigheden zijn aan vakantie of het genieten van een feestdag toe te schrijven.

Daarnaast zijn er de dagen van arbeidsduurvermindering die toegekend worden om de gemiddelde arbeidsduur op jaarbasis te verlagen. Zo kan een onderneming er bijvoorbeeld voor kiezen, als de arbeidsduur gemiddeld op jaarbasis 38 uur bedraagt om deze te realiseren door elke week effectief die 38 uur te voorzien maar kan ook een alternatieve invulling gebeuren door meer uren te presteren op weekbasis maar via extra vrije dagen (dagen arbeidsduurvermindering) de arbeidsduur op 38 uur te brengen. De voltijdse werknemers die werken in een arbeidsregime met dagen arbeidsduurvermindering hebben gemiddeld 10 dergelijke dagen. Het betreft ongeveer 4% van het totale aantal werkbare dagen in de onderneming.

Het aandeel ziektedagen is te groot

De tweede belangrijkste reden voor niet-werken is meteen ook de minst aangename: ongeval & ziekte. Niet kunnen werken doordat de gezondheid het belet, is voor niemand aangenaam, niet voor de zieke, niet voor collega’s, niet voor de werkgever. Peter Tuybens, Director van Acerta legt uit: “En toch is dat 1 op 4 keer de reden waarom iemand niet werkt. En helaas blijft dat aandeel met de jaren stijgen: van een kleine 1 op 4 (24,9%) in 2012 zaten we in 2016 al aan een ruime 1 op 4 (27,8%). Dat is een zorg. Deze heel actuele problematiek kreeg recent, onder andere met het wetgevend werk inzake bevordering van re-integratie, een flinke duw in de rug wat de aanpak betreft.”

 


 

Grafiek: percentage niet gewerkte uren per type.

Zwangerschap leidt gemiddeld slechts tot een beperkte afwezigheid

Macro-economisch gezien maken de zwangerschappen en de bevallingsrust en eventueel borstvoedingsverlof die hieraan onmiddellijk gelinkt kunnen worden slechts een beperkt deel uit van de afwezigheden. Als we de afwezigheden gelijkstellen aan 100% maakt de tijd dat een werknemer afwezig is als gevolg van één van deze redenen slechts 1,8%. Of anders gezegd, de gemiddelde afwezigheid van een werknemer wegens moederschapsrust en/of borstvoedingsverlof bedraagt slechts 0,5% van de maximaal mogelijke arbeidstijd. “We zien bovendien over de jaren heen dat deze afwezigheden verder dalen,” zegt Peter Tuybens. “Ongetwijfeld is dit ook een gevolg van het feit dat de actieve beroepsbevolking, mede als gevolg van de overheidsmaatregelen die langer werken aanmoedigen, veroudert.”

Verloven en de nieuwe wetgeving

Naast vakantie en ziekte - samen verklaren ze zo een 70% van de afwezigheden - kennen we nog een hele reeks ‘verloven’, denk maar aan de  thematische verloven (bv. ouderschapsverlof), het tijdskrediet en het educatief verlof. Peter Tuybens legt uit: “Het aandeel ouderschapsverlof en tijdskrediet is in 2016 wel voor het eerst gedaald, zij het licht (van 11,8 naar 11,1% van de niet-gewerkte tijden). Heeft de nieuwe wetgeving daarmee te maken? En zal dat in de toekomst een effect hebben op de eigenlijke werkuren? In de social profit, een sector waar veel vrouwen werken en een sector met een lagere werkurenscore dan de profitsector (65-66% versus 74-75%), zou dat het eerst merkbaar moeten zijn.”

Jonge bedienden in een klein bedrijf het actiefst

Als we naar leeftijd kijken, zijn het de jonge werknemers tussen 18 en 28 jaar die het meeste uren werken (meer dan 78%), maar zij hebben soms nog niet zoveel/geen vakantierechten opgebouwd of ze komen nog niet zo vaak in aanmerking voor allerlei verloven of hebben er geen behoefte aan. In elk geval, na 28 jaar daalt het percentage werkuren.

Kijken we naar de grootte van bedrijven, dan moeten we vaststellen dat werknemers de meeste effectieve uren presteren in verhouding tot het theoretisch mogelijk aantal in kleine bedrijven (75 tot 79% in ondernemingen met minder dan 50 werknemers, afnemend tot 68% in bedrijven met meer dan 500 werknemers en zelfs tot 65% in bedrijven met meer dan 1000 werknemers). En algemeen zijn bedienden vaker dan arbeiders wel aan het werk (73-74% tegenover 68-69%).

Ziekte preventief aanpakken, de gezonde reflex

Peter Tuybens, Director van Acerta licht toe: “Met afspraken over arbeidstijden, vakantie en verloven zoeken we voortdurend, en dus niet alleen op 1 mei, de balans tussen werk en privé. Tijd zegt natuurlijk niet alles over veel/weinig werken, maar is vandaag de wettelijke meeteenheid. Slimmer werken kan ook leiden tot meer evenwicht. Hét grote stoorelement in die evenwichtsoefening vandaag is ziekte. Het is de logica zelf dat de focus daarop komt te liggen, en dan vooral bij preventie. Iedereen heeft er alle baat bij om ziekte te voorkomen. Als zowel werkgevers als werknemers daarop inzetten door maximale aandacht voor o.a. welzijn, waardering, beweging, ergonomie, regelruimte …, kan niet-werken hopelijk weer vooral over welverdiende vakantie gaan.”

Meer info over dit persbericht

Contacteer Sylva De Craecker